Romans

fragment uit ‘Van hier tot aan de brug’ (Johan Teirlinck):

8.

’s Avonds in bad en oude muziek brengt mij korter bij mezelf. Ik hoor de klanken, de tonen die mij meesleuren in hun wereld. Iets over de hemel wordt gezongen en ik herinner mij dat ik –jong en sterk nog- de hemel heb verguisd. Toen gelovigen erover spraken werd ik kwaad. Toen ik hoorde dat kinderen ermee belazerd werden, werd ik woest en in theoretische gesprekken over geloof, bijvoorbeeld over de diepe middeleeuwen, was ik altijd machteloos woedend hoe dit beeld van een hemel aan mensen werd voorgehouden om hen kalm te houden, te sussen, en tenslotte rustig te laten sterven zonder verzet of opstand. En ik was ziedend. Dat weet ik nog van vroeger. En van de hemel.

Maar nu, nu ik in bad lag en dobberde en besefte dat deze klanken over een andere hemel gingen. Over een hemel waar je graag zou willen zijn. Nu besefte ik dat er dingen veranderd waren inmiddels. Dat ik ouder was geworden. En ouder van kinderen. En ik dacht dat als je echt. Echt. Van iemand houdt en die gaat dood. Onverwacht en onnodig definitief dood. Zo dood als dood kan zijn. Waar wil je die dan zien ? Precies. In de hemel. Lachend en een beetje levend weer. Maar in een zachte hemel. En ik besefte hoeveel troost dit kan betekenen. Hoe mooi die hemel kan zijn.

Want iemand zong dat zijn kindje dood was. En in de hemel was. En alleen daar kan dat kindje zijn. Alleen in die mooie hemel kan dat kindje zijn. Om op zijn papa te wachten. Als die later zal sterven. Want zoniet is het ondraaglijker nog.

En ik dacht dat het goed was om hen beide daar te laten. En niet te reageren: ‘de hemel bestaat niet’. En misschien. Heel misschien heb ik mij wel vergist. Destijds. En is de hemel niet de hemel die ik dacht. Misschien is er een andere hemel. Hemeltje lief. Want ook toen mijn papi stierf. Mijn paps en vader een man die een boom was en op zekere dag gewoon dood was. Zo dood als dood alleen kan zijn. En in de zetel lag en ik die het zag en het niet kon geloven.

Waar zou je dan willen dat hij was, je vader ?

Er is maar één plaats. Mooi en hoog genoeg. Eén plaats die het waard kan zijn om een weerzien te organiseren. Eén plaats om rust te vinden. Mijn vader die in de hemelen zijt. Wacht er op mij.

9.

Ze speelden in de tuin. Of was het binnen ? Krijsend. Lawaaisporen die je kippenvel van plezier gaven omdat het spelen was. Omdat het kinderen waren. En ik dacht: ik was erbij als zij geboren werden. Ik herinner het mij nog levendig. Alle drie anders. Alle drie in een haast heilige sfeer. De zorgvuldig opgebouwde spanning van een zwangerschap. Naar een climax toe. Met een zenuwachtige mama voor wie alles verkleinde tot er tenslotte niets van de wereld overschoot dan haar schoot. Een buik van leven. En dan drie keer anders het geluid van zuchten en ademen. Het water in de handen Het kruipen van de klok. Totdat tenslotte tijd en wereld stil staan in één moment van waanzinnig gelukkig zijn dat zo verlamt dat alles in je blijft steken als een gesmoorde kreet. En drie keer de handen ten hemel richten met een dochter ertussen.

Groter maken ze ze niet. De momenten in een mensenleven. Kinderen zien geboren worden. En ik was erbij. En het waren de mijne.

En ook als ik eraan terugdenk. Nu. Nu alles voorgoed voorbij is en in de sterren geen nieuwe dochters meer leven. Nu dus, ben ik nog altijd waanzinnig gelukkig dat het zo gebeurde en dat ik erbij was. Dat dit mijn leven is. En zoek ik soms naar gelijkaardige momenten. Momenten die even sterk zijn. En vind weinig. Want wat kan er tegen kindjes die voor het eerst krijsen ?

Behalve dan misschien dat beeld, dat ene beeld toen de cirkel rond was. Toen ik het krijsende kind was en mijn vader, vader. Toen de zon op een dolle zomerdag plots verdween en ik zenuwachtig en met bezwete handen voor een zwarte zetel stond. En mijn vader voor het laatst ademde. En bomen en wolken schrokken. En alles verstomde en versteef.

Want niets kan tippen aan de eerste en de laatste dingen. Zoveel is mij inmiddels duidelijk. En als ik stil en eenzaam ben. En wacht. ’s Nachts op die gedachten die je ongewild bezoeken. Dan weet ik het en hoop ik het. Dat misschien op één of andere verloren dag wanneer ik zelf zal zijn aanbeland in één of andere zwarte zetel. Dat zij er zullen zijn. Alle drie. Zij die ooit in de hemel werden gestoken. Hoog en groot. De mooiste dingen ter wereld. Dat zij er zullen zijn. Van vaders en dochters. Van hier tot daar. Tot aan de brug.

En dan erover.

*

Fragment uit ‘Nu’ (Johan Teirlinck):

Want we zitten niet in hetzelfde nu

Jij en ik

Ik zit hier

En nu

schrijvend

En jij

Jij bent daar

Ergens ver weg

Lezend

Deze letters

Eenzaam zijn we beiden

Dat is waar

En daarom verbonden

Door deze letters ook

En daarom ook poog ik mij in de denken

In te leven

In het nu waarin jij dit leest

De verre  jaren misschien

Die ons scheiden

Vele oorlogen verder

Vele weerberichten

Geboortes van ongewenste kinderen

Verkeerde beslissingen van ministers

En hun werelden

Als een zee liggen zij tussen ik en jij

Ik kan je niet bereiken

Niet vertellen van je eigen nu

Omdat ik er niet in leef

Toch wil ik een worp doen

Een lange afstandsworp

In tijd

In dagen

En hierbij zeggen dat ik nu

Nu dus

Aan je denk

Niet aan jou zelf

Maar aan het latere nu

Het nu waarin jij leest

Jazeker

Ik lees met je mee

In het nu van jou

Een lezer

Een eenzame lezer

Met wie ik dit lezen deel

In een nu van later

Ziehier mijn ik

Mijn denken mijn gevoel

Mijn hopen en weten

Mijn mede-leven

Ik bied je dit aan

Ik denk nu even over het nu waarin jij leeft

Een lezer

Jouw nu

En hoop

Ik hoop

Van hopen

-en laat mij niet alleen-

Dat omgekeerd

Jij

Diezelfde lezer

Die lieve lezer

Zou willen denken

Aan mij

De schrijver

Die hier als een razende tokkelt

In een nu

Dat mijn nu is

Dat leeft en beweegt

Dat helemaal rondom mij hangt

Als dikke mist

Een waas

Een vlaag

Dat dit nu

Dat ik koester

Dat ik ben

Dat ik meesleep

De duisternis van morgen

Van straks

In

Dat nu

Kan jij

Lieve lezer

Even pogen daarin te stappen

En mij even voor de geest te halen

En met mij de tijd van nu

Van dit schrijven

Van dit leven

Het nu van nu

Dat ik vrees te zullen verliezen

En inderdaad

Als jij dit leest

Zal ik het zijn verloren

Het zal geen nu meer zijn

Maar een ver verleden

Wat grappig ouderwets

Zoals elk verleden

Geplaatst en getemd

Niet wild en onblusbaar als het nu

Van nu

Van mijn

Dit

Schrijven

Wil jij mij die dienst bewijzen

En denken

Terugdenken

Aan hier

Aan mij

Om mij te redden

Inderdaad redden

Dat is het woord

Beste lezer

Wil jij mij redden

Bevrijden

Uit de eenzaamheid

Uit de angst en de twijfel

Die mij verscheurt en verlamt

Dit nu is een gevangenis

En weet

Nu je dit leest

Nu het voorbij is

Nu jij gevangen zit in je eigen nu

Een nu van later

Dat wij gevangenen zijn

Beiden gevangenen

En dat wij elkaar moeten steunen

Redden

Ja redden

Elk vanuit onze tijd

Vanuit ons nu

En als een dienst en wederdienst

Elkaar een knipoog toewerpen

Denken en terug denken

Jawel ik zit hier en schrijf

En weet dat jij leest

Voel mijn arm op de jouwe

Ik ben er

Ik ben bij je

Niet alleen makker

Je bent niet alleen

Hier ben ik

Naast je

Verward door tijd en ruimte

Maar hier en nu

Toch samen

Want wij horen samen

Onder deze letters

Samen

En wees gerust

Beste vriend

Dat ik naast je sta

Ik weet wat je doormaakt

Dat dit nu van later

Je verteert en opslokt

Dat je geen kant op kan

En daarom vraag ik

Om te kijken

Misschien zie je

In de verte

In de dagen

Die vervlogen

Een glimp nog

Van wat er was

Is geweest

En mooi

Om niet weer te keren

Misschien zie je me nog zitten

Ik die toen schreef

Dit boek

Deze letters tokkelde

En niet wist wat nog zal gebeuren

Tussen mijn en jouw nu

Wees verzekerd van mijn aandacht

Van mijn moment van stilstaan

Ik groet je

Over alles heen

Gegroet

Ik sta hier even stil bij jou

En je nu

Treur niet

Ween niet

We zijn samen

Eigenlijk voor altijd.